Er zijn vier belangrijke didactische principes voor het werken aan de luistervaardigheid in het Frans.
Het is nodig om de leerlingen alle taaltaken te laten oefenen met een voldoende gevarieerd aanbod. Voor luisteren kan dat onder meer een mededeling, een reclameboodschap, een (zeer) kort verhaal, een beschrijving, een recept, een spelregel, een gedicht, een lied, een kattenbelletje of een uitnodiging zijn.
Meer informatie over de tekstsoorten vind je op de ZillSite.
Bij het opstellen van een verwerkingsopdracht voor luistervaardigheid denken we voornamelijk aan gerichte inhoudsvragen: wie? wat? wanneer?... Hiermee stimuleren we het gericht luisteren. Leerlingen gaan in het luisterfragment gericht op zoek naar de gevraagde informatie.
Daarnaast is ook belangrijk dat de leerlingen inzetten op globaal luisteren. Hierbij herkennen ze een structuur om de gedachtengang te bepalen: wat gebeurde eerst, wat erna? wat is oorzaak? wat is gevolg?... Globaal luisteren helpt de leerling om vlot de nodige informatie tussen een groot aanbod informatie te kiezen, een essentiële vaardigheid in onze 21e eeuw.
Het is belangrijk dat de leerlingen de nodige woordenschatkennis vlot kunnen inzetten voor het begrijpen van een schriftelijke boodschap in een vreemde taal. Een taal beheersen houdt in dat je en zo groot mogelijke woordenkennis kunt gebruiken in een normale communicatie. Een goede beheersing van de woordenschat zorgt ervoor dat leerlingen bij het beluisteren een boodschap zich eerst richten naar wat ze wel al begrijpen om zo de nodige informatie te achterhalen. Zo zijn ze minder snel uit het lood geslagen, ook als ze niet alles hebben begrepen.
Een taal leer je niet door ze enkel te horen en te lezen, maar ook en vooral door ze actief te gebruiken. Regelmatig herhalen is essentieel voor een goede verankering. Losse woorden of woordenrijtjes die de leerling slechts één keer oefent, zijn zo weer vergeten. Voorzie voldoende opdrachten waarbij de leerlingen de woorden en structuren kunnen verankeren en automatiseren. Bied de leerlingen dus zoveel mogelijk kansen om in alle vaardigheden te oefenen Hoe meer ze de woordenschat die ze geleerd hebben in verschillende contexten en situaties kunnen gebruiken, hoe beter de taal verankerd wordt. Tijdens het luisteren zullen ze de betekenis van deze woorden dan makkelijker uit hun geheugen kunnen oproepen. Zo komen ze tot beter luisterbegrip.
Wanneer de luisteroefeningen woorden en structuren bevatten die de leerling niet of nog niet goed beheersen, is het handig dat ze strategieën kunnen inzetten, zoals afbeeldingen gebruiken, voorkennis activeren, hypotheses vormen over de inhoud, herbeluisteren wat onduidelijk is, een woordenlijst of woordenboek raadplegen, de vermoedelijke betekenis van nog niet gekende woorden afleiden uit de context... Daarbij speelt modeling, waarbij je als leraar model staat, een cruciale rol.
Door voor de leerlingen model te staan en hardop na te denken over de aanpak van de luistertaak, leren de leerlingen welke vragen zij zich moeten stellen bij het beluisteren van een boodschap. Ze worden gestimuleerd om na te denken over wat ze al over het onderwerp weten en zo hun voorkennis activeren.
Mogelijke vragen die modeling kunnen ondersteunen:
- Wat zal en/of wil ik te weten komen?
- Wat leid ik al af over de inhoud uit de inleiding, uit de vraag?
- Welke woordenschat kan ik verwachten?
- Welke voorkennis heb ik? Wat weet ik al?
- Welke woorden (her)ken ik al?
- Waarover zou het fragment kunnen gaan? Waarom? Uit welke woorden leid ik dat af
In de Zill-bib vind je een praktijkvoorbeeld waarin modeling toegepast wordt.